labels_wolk

Al die termen en labels, wat betekenen ze nou precies?

Barend Last schreef op LinkedIn onderstaand uitgebreide artikel over de termen die de ronde doen rondom ‘digitaal onderwijs’:

Hybrid Virtual Classroom: Synchroon fysiek en online onderwijs in één

De afgelopen weken/maanden hebben onderwijsinstellingen zich voorbereid op het onderwijs voor september (en doen dat nog steeds), waarin de 1,5m richtlijn grote beperkingen oplegt aan de capaciteit van onderwijsruimtes. Daarom houden sommige instellingen hun onderwijs bijna volledig online, en kiezen andere instellingen voor alternatieve setups, waarin sommige activiteiten wel op de campus plaatsvinden (zoals kleinschalig groepswerk of praktijklessen). Er zijn echter ook instellingen die kiezen voor de setup waarin een deel van de studenten fysiek aanwezig is, terwijl een ander deel vanaf afstand inbelt. Deze setting heet de hybrid virtual classroom. Maar hoe zit het nu precies? Wat is er al over bekend? En wat zijn de aandachtspunten? Een overzicht van een uitdagende onderwijssetting.

Een stukje geschiedenis

Laat ik beginnen met het feit dat deze setup niet nieuw is. De afgelopen jaren is reeds geëxperimenteerd met verschillende vormen van synchroon hybride leren. Steeds meer onderwijsinstellingen investeren bovendien in zogenaamde technology-enhanced learning spaces, waardoor simpelweg meer mogelijk is. Toch is er nog relatief weinig onderzoek gedaan naar deze specifieke vorm.

“Deze setup is niet nieuw. De afgelopen jaren is reeds geëxperimenteerd met vormen van synchroon hybride leren.”

In een recente, eerste literatuurstudie analyseerden Raes en collega´s (2019) 47 studies aangaande de grootste voordelen en uitdagingen. Eén van hun belangrijkste bevindingen is dat er met voorzichtig optimisme gesteld kan worden dat synchroon hybride leren mogelijk leidt tot een flexibelere, meer betrokken leeromgeving ten opzichte van volledig online of volledige fysiek onderwijs. Daarbij plaatsen ze wel de kanttekening dat er flinke didactische en technologische uitdagingen zijn om deze setup te laten slagen. Deze bevinding is in lijn met een verkenning van SURF over multi-locatieleren uit 2018, waarin bovendien ook forse investeringen qua geld en tijd genoemd worden als nadeel. Verder leidt de setup volgens SURF niet tot beter leren.

Waar hebben we het nu eigenlijk over?

Goed, het is duidelijk dat we deze setup niet zonder meer kunnen inzetten. Maar voordat we überhaupt verdergaan, wil ik eerst aandacht besteden aan waar we het nu eigenlijk over hebben. Zoals ik eerder beschreef (hier en hier), kunnen verkeerde definities en misconcepties leiden tot problemen in de praktijk. Om de hybrid virtual classroom te begrijpen, is het nodig om eerst de begrippen blended learninghybrid learning en multi-locatieleren te kennen.

Blended learning

Blended learning verwijst naar verrijkte, studentgerichte leerervaringen, mogelijk gemaakt door de harmonieuze integratie van verschillende strategieën, bereikt door de combinatie van face-to-face interactie met ICT (Oliver & Trigwell, 2005). Het gaat dus over opeenvolgende leeractiviteiten van een student (het heet immers blended learning en niet blended teaching of instruction).

Hybrid learning (ook wel: multi/mixed-method learning, multimodaal leren)

Waar blended learning zich richt op de combinatie van leeractiviteiten die fysiek en online plaatsvinden, gaat het bij hybrid learning over het vinden van de juiste mix in alle leermogelijkheden, ongeacht of ze face-to-face of online zijn en synchroon of asynchroon zijn.

Let op: een hybride docent of hybrid teaching heeft niets te maken met hybrid learning. Het gaat bij een hybride docent of hybrid teaching namelijk – veelal binnen het beroepsonderwijs – om docenten die deels lesgeven en deels in de praktijk werken, om zo de koppeling met de beroepspraktijk te versterken. Al wordt het potentieel van de hybride docent volgens dit artikel op ScienceGuide onvoldoende benut.

“Verkeerde definities en misconcepties leiden mogelijk tot problemen in de praktijk.”

Multi-locatie leren (ook wel: bimodaal leren)

Multi-locatie leren vindt plaats wanneer verschillende (groepen) studenten synchroon leren, terwijl zij zich op verschillende locaties bevinden. Dit gebeurt met behulp van een audiovisuele live-verbinding (meestal via internet) en in verschillende soorten (setups van) onderwijsruimtes die ik hieronder beschrijf.

  • Fysieke onderwijsruimte: docenten en studenten zijn fysiek aanwezig in dezelfde ruimte;
  • Virtual classroom: verschillende studenten die allemaal op een andere locatie zijn, bellen in via een audiovisuele live verbinding (bijvoorbeeld als een docent een college geeft via Zoom);
  • Remote classroom: verschillende studenten die allemaal op dezelfde locatie zijn, bellen in via een audiovisuele live verbinding en krijgen les van een docent op afstand;
  • Hybrid virtual classroom: de combinatie van een fysieke onderwijsruimte met een virtual classroom, waarin synchroon onderwijs plaatsvindt;
  • Hybrid remote classroom: hetzelfde als hierboven, maar de studenten die op afstand inbellen bevinden zich allemaal in dezelfde ruimte.

Geen blended learning

Tot hier de begrippen. Het is belangrijk om aan te stippen dat volgens deze definities de hybrid virtual classroom dus geen vorm van blended learning betreft. Er is immers geen combinatie van leeractiviteiten aan de kant van de lerende, laat staan dat er sprake is van een combinatie van ICT met face-to-face.

“De hybrid virtual classroom is geen vorm van blended learning. Er is immers geen sprake van een combinatie van leeractiviteiten voor de lerende.”

Toch wordt dit door sommigen wel zo gepresenteerd. Zie bijvoorbeeld het om-en-om model van Wilfred Rubens of het blended sycnhronous learning. Ik begrijp dat de term blended de combinatie veronderstelt van ICT met fysiek, maar mijns inziens is dit bij blended learning gestoeld op de combinatie van leeractiviteiten en binnen de hybrid virtual classroom op de combinatie van locaties van studenten. Verwarrend, hè?

De huidige inzet

Nu we weten waar we het over hebben, is het zaak te kijken naar de huidige inzet van de hybrid virtual classroom. Bij mijn universiteit (Universiteit Maastricht) is de setup in verschillende vormen onlangs getest. En ook internationaal wordt er veel uitgeprobeerd. Zo heeft de KU Leuven een prachtige onderwijsruimte met grote schermen gebouwd in samenwerking met Barco, hebben ze in de VS geëxperimenteerd met verschillende vormen en staat de setup ook in het Verenigd Koninkrijk hoog op de agenda van universiteiten. Wat mij echter opvalt is dat de reeds bestaande literatuur soms over het hoofd wordt gezien, en men proefondervindelijk het wiel opnieuw probeert uit te vinden.

“Bestaande literatuur wordt soms over het hoofd gezien, en men probeert dan proefondervindelijk het wiel opnieuw uit te vinden.”

Bovendien is er echt een groot verschil tussen het laten inbellen van studenten op een laptop via Zoom, of het bouwen van een enorme muur van schermen met speciaal daarvoor ontwikkelde software, zoals eye-tracking en interactietools. Daarom een kort overzicht van vormen die ik ben tegengekomen, uitgewerkt in vier verschillende continuüms.

Continuüm locatie (fysiek-online)

Allereerst is er de balans tussen de relatieve hoeveelheid studenten aanwezig versus op afstand. Dit continuüm loopt van 100% fysiek aanwezig tot 100% online aanwezig. Op de uiterste punten hebben we het natuurlijk niet meer over de hybrid virtual classroom, maar over volledig fysiek of volledig online leren.

Continuüm techniek

Ten tweede is er een continuüm dat loopt van “er zijn geen speciale voorzieningen anders dan de aanwezigheid van (goede) wifi” tot “de ruimte is speciaal ingericht met technische voorzieningen t.b.v. de hybrid virtual classroom”. In de praktijk zijn de meeste onderwijsruimtes niet speciaal toegerust op deze setup. Dit heeft natuurlijk direct invloed op het succes ervan.

Continuüm interactie

De mate van interactie lijkt me evident. Deze loopt van geen interactie tot veel interactie. Hoe meer interactie vereist, hoe uitdagender de onderwijsvorm wordt. De interactie is afhankelijk van de werkvorm die je kiest. Bij een simpel eenzijdig college is nauwelijks sprake van interactie, bij groepswerk natuurlijk veel. Het gaat dus om zowel docent-student interactie, als student-student.

Continuüm moeilijkheidsgraad

Dit laatste continuüm is tricky. Hieronder versta ik de moeilijkheidsgraad van de didactiek aan de docentkant. Indien deze alleen een monoloog vertelt, is de moeilijkheidsgraad uiteraard laag. Maar als deze aandacht moet geven aan alle studenten, zowel fysiek als virtueel aanwezig, tegelijkertijd, gericht op gelijkwaardige behandeling en interactie, dan is de moeilijkheidsgraad zeer hoog. Aangezien ons onderwijs veelal interactief is (activerend leren is het credo), is de moeilijkheidsgraad dus ook veelal zeer hoog.

Kansen en uitdagingen

Uit het voorgaande maak ik op dat de hybrid virtual classroom sowieso uitdagend is. Denk er maar eens over na. In de praktijk (bijvoorbeeld bij mijn universiteit) zijn bijna alle onderwijsruimtes “slechts” uitgerust met wifi en eventueel een digitaal scherm (meestal met beamer en pc). Dit betekent dat ik studenten op afstand alleen zal kunnen zien op mijn laptop scherm, of op het grote scherm. Ons onderwijs is in de basis sterk interactief (we werken met probleem gestuurd onderwijs, dus veel discussies). De interactie is dus redelijk hoog. Dat maakt de moeilijkheidsgraad qua didactiek eveneens hoog. Immers, ik moet interactie bewerkstelligen met zowel de studenten op afstand als die fysiek aanwezig. Gezien de beperkingen in ruimtecapaciteit zal tenminste 50% van de groep (van meestal 10-15 studenten) op afstand zitten. Nou, begin er maar eens aan…

“De meeste onderwijsruimtes zijn “slechts” uitgerust met wifi

en eventueel een digitaal scherm (meestal met beamer en pc).”

Zo lijkt het natuurlijk ondoenlijk, maar dat is niet helemaal waar. Stel je voor dat we een ruimte wel goed inrichten, zoals de KU Leuven deed (zie foto hieronder). Zij hebben een ruimte waarin elke student die inbelt op een eigen scherm wordt gepresenteerd, met hun hoofd ongeveer even groot weergegeven als de studenten fysiek aanwezig. Met speciale software die tal van interacties mogelijk maakt. Dan werkt de setting prima. Of nou ja, dan nog is er veel voorbereidingstijd nodig, laat staan forse investeringen in techniek en professionalisering. Maar het werkt prima.

Dan rest alleen nog de vraag: wat zijn dan de mogelijke voordelen? En met welke uitdagingen moeten we rekening houden? Het zijn er teveel om hier op te noemen. Toch wil ik een aantal essentiële kansen en uitdagingen meegeven.

Kansen:

  • Flexibeler onderwijs. Studenten hoeven niet (allemaal) te reizen.
  • Toegankelijker onderwijs. Het is vanaf overal in de wereld te volgen, waardoor het bereik groeit en het geheel laagdrempeliger wordt.
  • Het biedt mogelijkheden tot externe en/of internationale samenwerkingen, bijvoorbeeld met experts uit het werkveld of onderzoekers, die gemakkelijker deelnemen.
  • Studenten en docenten leren beter met ICT omgaan. Deze vaardigheden zijn in onze huidige maatschappij essentieel. Er is echter wel voldoende ondersteuning nodig.
  • En vergeet niet: het risico op besmetting op het coronavirus is drastisch lager.

Uitdagingen:

  • Mensen vertrouwen meer op visuele cues dan ze zich realiseren. Het is daarom, zeker bij het werken met kleine laptop- of tabletschermen, erg lastig gelijkwaardigheid te waarborgen.
  • Studenten fysiek aanwezig hebben moeite om te interacteren met die op afstand, en vice versa. Bovendien ervaren studenten op afstand een zogenaamde transactional distance. De ervaring is nooit gelijk.
  • Er is sprake van een fors hogere werkdruk voor staf en ondersteuners. Dit komt door de benodigde voorbereidingstijd (je werkt namelijk met twee onderwijsvormen tegelijkertijd), alsmede de professionalisering (nieuwe didactiek, omgaan met techniek).
  • Aandacht verdelen als docent is en blijft lastig. Je moet immers constant switchen tussen fysiek en online.
  • Grote financiële investeringen, alsook qua tijd.

Dus… wel of niet doen?

Tja, moeten we het nu wel of niet doen? Wat mij betreft is het antwoord: “nee, tenzij…” Ik adviseer om eerst te zoeken naar andere werkvormen om je leerdoelen te behalen. Bijvoorbeeld in kleinere groepen toch fysiek samenkomen, of iedereen online houden. De combinatie vereist zóveel voorbereidingstijd, die hebben we gewoonweg niet. Bovendien zijn onze ruimtes er over het algemeen niet op voorbereid. Alleen goede wifi is niet voldoende, ongelijkheid ligt op de loer.

“Wel of niet doen? Wat mij betreft is het antwoord: “nee, tenzij…”

Als je toch kiest voor de hybrid virtual classroom, realiseer je dan de forse nadelen die eraan kleven en wees daar transparant over. Besef dat het veel vraagt van zowel docenten, als studenten en ondersteuners. Laat staan de onderwijsruimtes en IT-infrastructuur. En speel met de vorm, wees creatief. Experimenteer met meer of minder studenten fysiek aanwezig, verschillende rollen voor studenten (zoals voorzitter, notulist), het werken met tablets of juist alleen één groot scherm. Er is geen one-size-fits-all. Van proberen kunnen we leren. En ik raad je zeker ook de tips aan van Wilfred Rubens in zijn blog. Laat je inspireren. Succes!